ECLI:NL:RVS:2025:3486
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft bij besluit van 9 juni 2022 de aanvraag van appellant om een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verkrijgen afgewezen. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, dat op 10 januari 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank op 4 april 2024 het door appellant ingestelde beroep eveneens ongegrond.
Appellant stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat appellant niet alle volgens bijlage 8aa bij artikel 3.20a, vierde lid, van het Voorschrift Vreemdelingen 2000 vereiste stukken had overgelegd. De minister mocht daarom de aanvraag afwijzen zonder voorlegging aan de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland. Tevens was er geen steekhoudende verklaring voor het ontbreken van de stukken, waardoor de minister van horen mocht afzien.
De Raad van State oordeelde dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming in algemene zin. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is ongegrond verklaard en de afwijzing van de verblijfsvergunning wordt bevestigd.