Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3465

Raad van State

Datum uitspraak
24 juli 2025
Publicatiedatum
24 juli 2025
Zaaknummer
202304211/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • H.G. Sevenster
  • N. Verheij
  • M. den Heyer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 3 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging rechtbankuitspraak en ongegrondverklaring beroep asielaanvraag Nigeriaanse betrokkene

Betrokkene, een Nigeriaanse nationaliteit, diende een asielaanvraag in die op 14 juni 2021 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 6 juni 2023 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen. De staatssecretaris stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte aannam dat de minister haar standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas innerlijk tegenstrijdig had beoordeeld. De minister had geloofwaardig geoordeeld dat betrokkene deelnam aan verkiezingsfraude en daar problemen door ondervond, maar dat de vermoedens over de gevolgen bij terugkeer niet aannemelijk waren. De rechtbank had onterecht het vermoeden van betrokkene dat hij op een lijst van gezochte personen staat als feit aangenomen.

De Raad van State vernietigde daarom de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep van betrokkene ongegrond. De minister hoefde geen proceskosten te vergoeden. De Afdeling benadrukte dat betrokkene onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat zijn identiteit bekend is bij de autoriteiten en dat hij reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Nigeria.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank en verklaart het beroep van betrokkene ongegrond wegens onvoldoende aannemelijkheid van de gevreesde risico's.

Uitspraak

202304211/1/V3.
Datum uitspraak: 24 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 juni 2023 in zaak nr. NL21.11193 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 14 juni 2021 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van betrokkene om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 6 juni 2023 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. M.J. Verwers, advocaat in Wageningen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
Inleiding
1.       Betrokkene heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij is betrokken geweest bij fraude bij de Nigeriaanse verkiezingen in 2007. Hij stelt te vrezen voor de autoriteiten voor het plegen van deze verkiezingsfraude. Daarnaast stelt hij te vrezen voor de tegenpartij waar hij tegen heeft gestreden tijdens de verkiezingen, omdat zij naar hem op zoek zijn gegaan bij het huis van zijn oom. Verder stelt hij te vrezen voor zijn oom, doordat de tegenpartij het huis van zijn oom heeft vernield en zijn oom hierdoor in de problemen is gekomen. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat betrokkene geen reëel risico loopt op ernstige schade. Zij heeft het asielrelaas geloofwaardig geacht. Maar zij heeft de gestelde vrees niet aannemelijk geacht.
Het hoger beroep van de minister
2.       De eerste grief van de minister is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat haar standpunt over de geloofwaardigheid van het asielrelaas innerlijk tegenstrijdig is. De tweede grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister uit moet gaan van de verklaring van betrokkene dat zijn oom zijn naam heeft doorgegeven aan de politie en dat hij op een lijst van gezochte personen staat.
2.1.    In het besluit van 14 juni 2021, in samenhang gelezen met het daarin ingelaste voornemen, heeft de minister gesteld dat zij het geloofwaardig acht dat betrokkene heeft deelgenomen aan verkiezingsfraude. Ook de verklaringen over de problemen van betrokkene door deelname aan de verkiezingsfraude heeft zij geloofwaardig geacht. Zij heeft echter gesteld dat de vermoedens van betrokkene over wat hem bij terugkeer te wachten staat, ontleend aan de geloofwaardig geachte feiten en omstandigheden, niet aannemelijk zijn. De minister heeft daarvoor van belang geacht dat betrokkene meer dan een jaar voor zijn vertrek zonder problemen in Nigeria heeft verbleven en dat hij sinds zijn vertrek niets meer van de autoriteiten, zijn oom of de tegenpartij heeft vernomen. Daarnaast heeft zij gesteld dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn identiteit bij de autoriteiten bekend is of dat hij op een lijst met gezochte personen staat.
2.2.    De minister voert terecht aan dat de rechtbank, door te overwegen dat haar standpunt over de geloofwaardigheid van het relaas innerlijk tegenstrijdig is, niet heeft onderkend dat zij in haar besluit heeft beoordeeld of de vermoedens van betrokkene over wat hem bij terugkeer te wachten staat, een aannemelijk gevolg zijn van de geloofwaardige relevante elementen. De rechtbank heeft terecht overwogen dat de verklaringen van betrokkene het uitgangspunt vormen voor de beantwoording van de vraag of de gestelde vrees van betrokkene aannemelijk is. Maar dit betekent niet dat de minister geen onderscheid kan maken tussen verklaringen die gaan over wat betrokkene, naar gesteld, is overkomen en verklaringen over wat hij vermoedt te zullen ondervinden bij terugkeer naar zijn land van herkomst (uitspraak van de Afdeling van 10 augustus 2015, ECLI:NL:RVS:2015:2666, onder 1.1).
2.3.    Dat de minister de verklaringen over de verkiezingsfraude en de problemen daarna geloofwaardig heeft geacht, betekent dus niet dat de minister het vermoeden van betrokkene dat hij op een lijst staat van mensen die worden gezocht door de politie, ook aannemelijk moet achten. De minister wijst er terecht op dat uit de verklaringen van betrokkene kan worden afgeleid dat hij slechts vermoedt dat er een lijst is van mensen die worden gezocht door de politie. De rechtbank heeft dit niet onderkend. De rechtbank heeft dit vermoeden van betrokkene ten onrechte als feit beschouwd en daarom ten onrechte overwogen dat ook dit deel van het relaas geloofwaardig is.
2.4.    De eerste en tweede grief slagen.
3.       De derde grief is gericht tegen het oordeel van de rechtbank dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd dat de gestelde vrees niet aannemelijk is, omdat zij wel heeft erkend dat een gevangenisstraf een behandeling oplevert in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM en dat deze levensbedreigend zou zijn.
3.1.    De minister voert terecht aan dat de passage in het besluit waar de rechtbank op wijst een weergave is van de aangehaalde openbare bron over gevangenzetting in Nigeria. De minister stelt in het besluit echter dat betrokkene niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer heeft te vrezen voor een gevangenisstraf, omdat hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn identiteit bekend is bij de autoriteiten. De vraag of een gevangenisstraf een behandeling oplevert in strijd met artikel 3 van Pro het EVRM, is dus niet relevant.
3.2.    De derde grief slaagt.
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
Het beroep van betrokkene
5.       Betrokkene betoogt dat de minister hem ten onrechte heeft tegengeworpen dat hij na het incident van de verkiezingsfraude nog een jaar zonder problemen in Nigeria heeft verbleven en buiten op het land heeft gewerkt en ondanks dat niets meer zou hebben vernomen van de autoriteiten, zijn oom of de tegenpartij. Verder voert betrokkene aan dat de minister heeft miskend dat hij wegens het incident wordt gezocht door de autoriteiten, dat zijn oom nog contact heeft met zijn moeder en dat hij hem bij terugkeer zal herkennen en de politie op de hoogte zal stellen. Betrokkene doet ook een beroep op het algemeen ambtsbericht Nigeria van 27 juni 2018, waaruit zou volgen dat Nigerianen die terugkeren, ondervraagd worden door de autoriteiten.
5.1.    De minister heeft in het besluit deugdelijk gemotiveerd dat betrokkene de gestelde vrees voor de autoriteiten, zijn oom en de tegenpartij waar hij tegen heeft gestreden tijdens de verkiezingen, niet aannemelijk heeft gemaakt. Betrokkene heeft namelijk niet aannemelijk gemaakt dat zijn identiteit bekend is bij de autoriteiten. Daarbij heeft de minister er terecht op gewezen dat hij zijn verklaringen over de lijst met gezochte personen niet nader heeft verduidelijkt, dat zijn verklaringen alleen berusten op vermoedens en dat hij deze ook niet heeft onderbouwd met stukken. Zoals de minister in haar verweerschrift van 22 februari 2023 heeft toegelicht, heeft zij ook terecht van belang geacht dat betrokkene een jaar lang na het incident probleemloos in een dorp op slechts 15 kilometer afstand van zijn ouderlijk huis heeft kunnen verblijven. Dat dit volgens betrokkene mogelijk was, omdat niemand van zijn verblijfplaats afwist, mocht de minister, gelet op de genoemde afstand, niet aannemelijk achten. Daarnaast is niet gebleken dat zijn oom of de autoriteiten al die jaren naar hem op zoek zijn geweest. Anders dan betrokkene betoogt, komt uit zijn verklaringen over de dorpsvergadering die in 2021 zou hebben plaatsgevonden, onvoldoende naar voren dat zijn oom nog contact heeft met zijn moeder of dat zijn oom op dit moment nog steeds naar hem op zoek is.
5.2.    Nigerianen die terugkeren, worden soms ondervraagd door de autoriteiten, maar dit betekent niet zonder meer dat betrokkene problemen zal ondervinden, omdat het niet aannemelijk is dat zijn identiteit bekend is bij de autoriteiten. Uit het door de minister aangehaalde rapport van de Friedrich Ebert Stiftung, ‘The Prosecution of Electoral Offenders in Nigeria, Challenges and possibilities’, van 5 september 2013 volgt bovendien dat verkiezingsfraudeurs niet of nauwelijks zijn vervolgd door vele uitdagingen, waaronder capaciteitsproblemen. De minister heeft daarom deugdelijk gemotiveerd dat het niet aannemelijk is dat betrokkene na zo’n lang tijdsverloop bij terugkeer te vrezen heeft voor een veroordeling wegens de door hem gepleegde verkiezingsfraude in 2007.
6.       Het beroep is ongegrond. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 6 juni 2023 in zaak nr. NL21.11193;
III.      verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. M. den Heyer, leden, in tegenwoordigheid van mr. D.I. Schipper, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Schipper
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 24 juli 2025
872-1125