Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3375

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
23 juli 2025
Zaaknummer
202503108/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Herziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:119 AwbArt. 94 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing herzieningsverzoek inzake vrijheidsontnemende maatregel in vreemdelingenrecht

Verzoeker heeft bij brief van 1 juni 2025 verzocht om herziening van de uitspraak van 27 mei 2025 van de Afdeling bestuursrechtspraak, waarin het hoger beroep van de minister gegrond werd verklaard. Het verzoek tot herziening is ingediend op grond van artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), dat herziening mogelijk maakt bij nieuwe feiten of omstandigheden.

De Afdeling overweegt dat herziening alleen mogelijk is indien sprake is van feiten of omstandigheden die vóór de uitspraak bestonden, maar pas daarna bekend werden, en die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden. Verzoeker stelt dat zijn beroep bij de rechtbank als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 had moeten worden aangemerkt, waardoor de rechtbank binnen veertien dagen een zitting had moeten houden.

De Afdeling stelt vast dat verzoeker pas op 27 mei 2025 van deze kwalificatie op de hoogte was, wat voldoet aan de eerste vereisten voor herziening. Echter, de rechtbank had verzoeker al op 27 december 2024 gevraagd of hij een zitting wenste, en verzoeker had op 30 december 2024 schriftelijk verklaard geen bezwaar te hebben tegen schriftelijke afdoening. Hierdoor had het niet houden van een zitting binnen veertien dagen niet tot een andere uitspraak kunnen leiden.

Daarom voldoet het herzieningsverzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:119 Awb Pro en wordt het verzoek afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het verzoek tot herziening wordt afgewezen omdat geen nieuwe feiten zijn die tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.

Uitspraak

202503108/1/V3.
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het verzoek van:
[verzoeker],
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht; hierna: de Awb) van de uitspraak van de Afdeling van 27 mei 2025 in zaak nr. 202500189/1/V3, ECLI:NL:RVS:2025:2399.
Procesverloop
Bij brief van 1 juni 2025 heeft verzoeker de Afdeling verzocht om de hiervoor genoemde uitspraak van 27 mei 2025 te herzien.
Verzoeker heeft een nader stuk ingediend.
Overwegingen
1.       De Afdeling kan onder omstandigheden een onherroepelijk geworden uitspraak herzien op grond van nieuwe feiten en omstandigheden (artikel 8:119, eerste lid, van de Awb). Dat kan alleen maar als er feiten of omstandigheden zijn van vóór de uitspraak, waar een verzoeker pas ná de uitspraak achter is gekomen. En dan hadden die omstandigheden ook nog tot een andere uitspraak moeten kunnen leiden, als de Afdeling er op tijd van had geweten. De redenen die verzoeker geeft in het herzieningsverzoek zijn niet zulke feiten of omstandigheden.
1.1.    De Afdeling heeft het hoger beroep van de minister gegrond verklaard. Verzoeker wil herziening van deze uitspraak. Hij voert aan dat de Afdeling heeft geoordeeld dat zijn beroep tegen het voortduren van de vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 moet worden aangemerkt, en dat zij daarom consequenties had moeten verbinden aan de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden (artikel 94, vierde lid, van de Vw 2000). Verzoeker is weliswaar eerst op 27 mei 2025 bekend geworden met het feit dat zijn beroep bij de rechtbank als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 had moeten worden aangemerkt, zodat is voldaan aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Awb. Maar de Afdeling stelt vast dat de rechtbank verzoeker bij brief van 27 december 2024 heeft gevraagd of zijn beroep op een zitting behandeld moest worden en dat verzoeker bij brief van 30 december 2024 aan de rechtbank heeft laten weten dat hij geen bezwaar had tegen een schriftelijke afdoening. Daarom had de omstandigheid dat de rechtbank niet binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting heeft gehouden, in dit geval niet tot een andere uitspraak kunnen leiden. Om die reden voldoet het herzieningsverzoek niet aan artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Awb.
2.       De Afdeling wijst het verzoek daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.S. Jiawan, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Jiawan
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025
1017