ECLI:NL:RVS:2025:3374
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State tot behandeling hoger beroep tegen voortduren bewaring vreemdeling
Appellant is bij besluit van 13 december 2024 door de minister van Asiel en Migratie in bewaring gesteld. De rechtbank heeft op 10 maart 2025 het beroep tegen het voortduren van deze bewaring ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State overweegt dat het voortduren van de maatregel van bewaring op grond van artikel 96 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 niet vatbaar is voor hoger beroep, zoals bepaald in artikel 84, aanhef en onder a, van dezelfde wet. Het aangevoerde argument van appellant biedt geen grond om het verbod op hoger beroep te doorbreken, aangezien er geen sprake is van een oneerlijk proces.
Daarom verklaart de Afdeling zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep. Tevens wordt bepaald dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van J.C.A. de Poorter op 23 juli 2025.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd om kennis te nemen van het hoger beroep tegen het voortduren van de bewaring.