ECLI:NL:RVS:2025:3369
Raad van State
- Herziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing herzieningsverzoek inzake eerste beroep bij voortduren vrijheidsontnemende maatregel
Verzoekster heeft verzocht om herziening van een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 27 mei 2025, waarin het hoger beroep van de minister gegrond werd verklaard. Zij stelde dat haar beroep tegen het voortduren van een vrijheidsontnemende maatregel als eerste beroep in de zin van artikel 94, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 moest worden aangemerkt, en dat de rechtbank daarom binnen veertien dagen na ontvangst van het beroepschrift een zitting had moeten houden.
De Afdeling overwoog dat hoewel verzoekster pas op 27 mei 2025 bekend werd met de kwalificatie van haar beroep als eerste beroep, de rechtbank haar reeds in december 2024 had gevraagd of zij een zitting wenste. Verzoekster had schriftelijk aangegeven geen bezwaar te hebben tegen schriftelijke afdoening. Hierdoor had het niet houden van een zitting binnen veertien dagen niet tot een andere uitspraak kunnen leiden.
Op grond hiervan voldeed het herzieningsverzoek niet aan de voorwaarden van artikel 8:119, eerste lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht. De Afdeling wees het verzoek af en bepaalde dat de minister geen proceskosten hoeft te vergoeden.
Uitkomst: Het herzieningsverzoek wordt afgewezen omdat de nieuwe feiten niet tot een andere uitspraak hadden kunnen leiden.