Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3338

Raad van State

Datum uitspraak
23 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
BRS.25.000795
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening bij afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf gezinshereniging

Bij besluit van 21 december 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van betrokkene en haar minderjarige kinderen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar van betrokkene werd op 14 december 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 5 juni 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen.

De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, mede vanwege een prejudiciële vraag over het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging in het buitenland.

De voorzieningenrechter besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Proceskosten werden niet toegewezen.

Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.

Uitspraak

BRS.25.000795
Datum uitspraak: 23 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 5 juni 2025 in zaak nr. NL24.1276 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 21 december 2022 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag om betrokkene en haar minderjarige kinderen een machtiging tot voorlopig verblijf te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 14 december 2023 heeft de staatssecretaris het daartegen door betrokkene gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 5 juni 2025 heeft de rechtbank het daartegen door betrokkene ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen acht weken na de dag van verzending van de uitspraak een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld. Ook heeft zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Betrokkene, vertegenwoordigd door mr. L.T.M. Hooijmans, advocaat in Amsterdam, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.        De minister verzoekt de voorzieningenrechter om de voorlopige voorziening te treffen dat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat de Afdeling op haar hoger beroep heeft beslist.
2.        In het licht van de prejudiciële vraag die de Afdeling op 11 juni 2025 heeft gesteld, ECLI:NL:RVS:2025:2628, over het inburgeringsvereiste in het buitenland bij gezinshereniging, vergt het hoger beroep nader onderzoek, waarvoor deze procedure zich niet goed leent. Daarom treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening.
3.        De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat de minister van Asiel en Migratie geen uitvoering hoeft te geven aan de uitspraak van de rechtbank voordat de Afdeling op het hoger beroep heeft beslist.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. A.M.L. Hanrath, griffier.
w.g. De Poorter
voorzieningenrechter
w.g. Hanrath
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 23 juli 2025
392