ECLI:NL:RVS:2025:3338
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening bij afwijzing machtiging tot voorlopig verblijf gezinshereniging
Bij besluit van 21 december 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van betrokkene en haar minderjarige kinderen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Het bezwaar van betrokkene werd op 14 december 2023 ongegrond verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 5 juni 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moest nemen.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in en verzocht tegelijkertijd om een voorlopige voorziening om uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op te schorten totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist, mede vanwege een prejudiciële vraag over het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging in het buitenland.
De voorzieningenrechter besloot daarom de voorlopige voorziening toe te wijzen, waardoor de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op het hoger beroep heeft beslist. Proceskosten werden niet toegewezen.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.