Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3328

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
202502629/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning

Verzoeker had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid op 1 februari 2024 werd afgewezen. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar, dat door de minister op 27 februari 2025 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 16 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde.

Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen. De griffier wees verzoeker bij brief van 8 mei 2025 op de verplichting tot betaling van griffierecht, met een uiterste betaaldatum van 15 mei 2025. Verzoeker betaalde het griffierecht niet en gaf op 19 mei 2025 een beroep op betalingsonmacht aan, maar leverde geen tijdige onderbouwing.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is wegens het niet voldoen aan de griffierechtverplichting. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. Het verzoek is derhalve afgewezen zonder inhoudelijke behandeling.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van griffierecht.

Uitspraak

202502629/2/V2.
Datum uitspraak: 21 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 16 april 2025 in zaak nr. NL25.9915 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 februari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 27 februari 2025 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 16 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De griffier heeft verzoeker er bij brief van 8 mei 2025 op gewezen dat hij voor het verzoek griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 15 mei 2025 te betalen. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek om een voorlopige voorziening alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet betaald. Het beroep op betalingsonmacht dat verzoeker op 19 mei 2025 heeft gedaan, is geen reden om het verzoek toch in behandeling te nemen, omdat hij deze stukken niet tijdig heeft overgelegd.
2.       Het verzoek is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Capel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2025
987