Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2025:3311

Raad van State

Datum uitspraak
21 juli 2025
Publicatiedatum
21 juli 2025
Zaaknummer
202502683/2/V2
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • H.G. Sevenster
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkheid verzoek voorlopige voorziening in hoger beroep verblijfsvergunning

Verzoeker heeft op 4 januari 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd, welke is afgewezen door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid. Hiertegen maakte verzoeker bezwaar bij de minister, dat op 18 november 2024 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde verzoeker beroep in bij de rechtbank, die op 9 april 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Verzoeker stelde hoger beroep in en verzocht de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening.

De griffier wees verzoeker op 9 mei 2025 erop dat griffierecht betaald moest worden uiterlijk 16 mei 2025, met de waarschuwing dat bij niet-betaling het verzoek niet-ontvankelijk zou worden verklaard. Verzoeker betaalde het griffierecht niet en voerde op 19 mei 2025 betalingsonmacht aan, maar leverde geen tijdige stukken ter onderbouwing.

De voorzieningenrechter oordeelde dat het verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk is wegens niet-betaling van het griffierecht en wees het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden. De uitspraak werd op 21 juli 2025 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet-betaling van het griffierecht.

Uitspraak

202502683/2/V2.
Datum uitspraak: 21 juli 2025
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, derde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[verzoeker],
verzoeker,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 9 april 2025 in zaak nr. NL24.46511 in het geding tussen:
verzoeker
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 januari 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van verzoeker om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij besluit van 18 november 2024 heeft de minister het daartegen door verzoeker gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 9 april 2025 heeft de rechtbank het daartegen door verzoeker ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft verzoeker hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1.       De griffier heeft verzoeker er bij brief van 9 mei 2025 op gewezen dat hij voor het verzoek griffierecht moet betalen. Hem is daarbij verzocht het griffierecht uiterlijk op 16 mei 2025 te betalen. In die brief staat ook dat, als het griffierecht niet op die datum is ontvangen, het verzoek om een voorlopige voorziening alleen al daarom niet-ontvankelijk kan worden verklaard. Het griffierecht is niet betaald. Het beroep op betalingsonmacht dat verzoeker op 19 mei 2025 heeft gedaan, is geen reden om het verzoek toch in behandeling te nemen, omdat hij deze stukken niet tijdig heeft overgelegd.
2.       Het verzoek is niet-ontvankelijk. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart het verzoek niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van N. Capel LLM, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. Capel
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 21 juli 2025
987