ECLI:NL:RVS:2025:3301
Raad van State
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- H.G. Sevenster
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf
Appellant verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf, welke op 14 juni 2024 door de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid werd afgewezen. De minister verklaarde het bezwaar op 10 oktober 2024 ongegrond en de rechtbank bevestigde dit op 7 mei 2025 door het beroep ongegrond te verklaren.
Appellant stelde dat het hogerberoepschrift tijdig was ingediend door het per e-mail te verzenden op 3 juni 2025 en tevens per post te versturen. Uit onderzoek bleek echter dat de e-mail niet aankwam vanwege het niet voldoen aan technische vereisten van het Veilig Mailen-systeem van de Raad van State. De poststempel toonde aan dat het schrift pas op 5 juni 2025 werd verzonden, na afloop van de termijn op 4 juni 2025.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellant, als professionele rechtsbijstandsverlener, op de hoogte had kunnen zijn van de vereisten en dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar was. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening werd afgewezen. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard wegens te late indiening en het verzoek om voorlopige voorziening is afgewezen.