ECLI:NL:RVS:2025:3288
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing herziening en verlenging verblijfsvergunning in hoger beroep
Appellant verzocht bij de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid om herziening van de intrekking van haar verblijfsvergunning en om verlenging van deze vergunning. Op 7 september 2023 wees de staatssecretaris dit verzoek af. Na bezwaar verleende de staatssecretaris op 27 maart 2024 alsnog een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en hief het inreisverbod op, maar wees het verzoek om herziening af.
Appellant stelde beroep in bij de rechtbank, die op 29 oktober 2024 het beroep gegrond verklaarde en het besluit tot afwijzing van de herziening vernietigde, terwijl de rechtsgevolgen van het vernietigde deel in stand bleven. Appellant ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde het vonnis van de rechtbank. De motivering van de rechtbank werd overgenomen, waarbij werd vastgesteld dat het hoger beroep geen nieuwe vragen bevatte die in het belang van rechtseenheid of rechtsontwikkeling beantwoord moesten worden. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigt het vonnis van de rechtbank en verklaart het hoger beroep ongegrond.