ECLI:NL:RVS:2025:3202
Raad van State
- Hoger beroep
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing uitstel van vertrek op grond van artikel 64 Vreemdelingenwet 2000
Appellant heeft bij de minister van Asiel en Migratie een aanvraag ingediend om uitstel van vertrek te verkrijgen op grond van artikel 64 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Deze aanvraag is bij besluit van 12 januari 2024 afgewezen. Tegen dit besluit maakte appellant bezwaar, dat eveneens ongegrond werd verklaard bij besluit van 22 februari 2024.
Appellant stelde vervolgens beroep in bij de rechtbank Den Haag, die bij uitspraak van 16 mei 2025 het beroep ongegrond verklaarde. Hiertegen stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak heeft het hoger beroep beoordeeld en geoordeeld dat de rechtbank terecht en op goede gronden tot haar oordeel is gekomen. Het hoger beroep bevatte geen nieuwe vragen die beantwoording behoefden in het belang van rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming. Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.