ECLI:NL:RVS:2025:3113
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek naturalisatie wegens twijfel aan identiteit en nationaliteit
Appellant, sinds 2000 in Nederland verblijvend met een verblijfsvergunning op grond van de Regeling afwikkeling nalatenschap oude Vreemdelingenwet, verzocht op 20 december 2021 om naturalisatie. De staatssecretaris weigerde dit verzoek op 16 januari 2023 vanwege twijfels over zijn identiteit en nationaliteit, voortkomend uit inconsistenties in zijn asielaanvraag uit 2002 en eerdere rechterlijke uitspraken die deze twijfel bevestigden.
De rechtbank Zeeland-West-Brabant verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond, stellende dat appellant onvoldoende bewijs leverde om de twijfels weg te nemen, zoals een geboorteakte of paspoort. Ook het beroep op bewijsnood werd verworpen wegens gebrek aan onderbouwing.
In hoger beroep herhaalde appellant grotendeels zijn eerdere argumenten, zonder nieuwe gronden aan te voeren. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State onderschreef het oordeel van de rechtbank en benadrukte dat het persoonlijk belang van appellant bij naturalisatie geen afbreuk doet aan de strikte bewijsvereisten. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek tot naturalisatie afgewezen wegens twijfel aan identiteit en nationaliteit.