ECLI:NL:RVS:2025:309
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen weigering verblijfsvergunning regulier
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid heeft op 8 oktober 2019 een aanvraag van vreemdelingen voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd afgewezen. Na een bezwaarprocedure verklaarde de staatssecretaris het bezwaar ongegrond op 12 november 2020. De vreemdelingen stelden beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 7 november 2024 een tussenuitspraak deed en de minister de gelegenheid gaf een gebrek in het besluit te herstellen. De minister motiveerde het besluit nader op 11 december 2024. De rechtbank vernietigde bij einduitspraak van 18 december 2024 het besluit van 12 november 2020, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen in stand blijven.
Tegen deze uitspraken is hoger beroep ingesteld door de vreemdelingen bij de Raad van State. Zij verzochten tevens om een voorlopige voorziening. De voorzieningenrechter oordeelde dat er geen spoedeisend belang was voor het treffen van een voorlopige voorziening en wees het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
De uitspraak werd gedaan door voorzieningenrechter J.M. Willems op 29 januari 2025, in aanwezigheid van griffier S. Zwemstra. Het verzoek om voorlopige voorziening is daarmee definitief afgewezen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang.