ECLI:NL:RVS:2025:3069
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende belangenafweging artikel 8 EVRM
Bij besluit van 8 februari 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van appellant om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Appellant maakte bezwaar dat bij besluit van 6 juli 2023 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant op 21 mei 2024 ongegrond. Appellant stelde hiertegen hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat de minister de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro deugdelijk heeft gemotiveerd. De minister ging onterecht uit van een te strenge toets dat alleen in uitzonderlijke omstandigheden het familie- en gezinsleven in het voordeel van appellant kan uitvallen, terwijl het gezin al bestond in het land van herkomst. Hierdoor kleeft een motiveringsgebrek aan het besluit.
De Afdeling verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 6 juli 2023. De minister wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant. De minister moet een nieuwe, evenwichtige belangenafweging maken waarbij alle omstandigheden worden meegewogen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt vernietigd.