ECLI:NL:RVS:2025:3011
Raad van State
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Voorlopige voorziening tegen uitvoering uitspraak rechtbank inzake machtiging voorlopig verblijf
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 19 maart 2024 een aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf af. Betrokkene maakte bezwaar, dat op 10 december 2024 ongegrond werd verklaard. De rechtbank verklaarde het beroep van betrokkene op 26 mei 2025 gegrond, vernietigde het besluit en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak en verzocht om een voorlopige voorziening zodat zij de uitspraak van de rechtbank niet hoeft uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist. De voorzieningenrechter overwoog dat het hoger beroep nader onderzoek vereist vanwege een prejudiciële vraag over het inburgeringsvereiste bij gezinshereniging.
Daarom werd de voorlopige voorziening getroffen dat de minister niet hoeft te voldoen aan de uitspraak van de rechtbank totdat de Afdeling bestuursrechtspraak op het hoger beroep heeft beslist. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De minister hoeft de uitspraak van de rechtbank niet uit te voeren totdat het hoger beroep is beslist.