ECLI:NL:RVS:2025:2858
Raad van State
- Hoger beroep
- M.M. Kaajan
- Rechtspraak.nl
Bevestiging omgevingsvergunning voor hogere speeltoestellen ondanks bestemmingsplan
Het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch verleende een omgevingsvergunning voor het plaatsen van twee speeltoestellen, een kabelbaan en een speelcombinatie, met een hoogte van respectievelijk 3,88 m en 3,72 m, terwijl het bestemmingsplan een maximale bouwhoogte van 3 m voorschrijft. Appellant, wonende tegenover de speelplaats, stelde bezwaar tegen deze vergunning en voerde meerdere beroepsgronden aan.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt deze uitspraak. De Afdeling oordeelt dat het college terecht gebruik heeft gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid op grond van artikel 32, onder c, van de planregels, waarmee de bouwhoogte van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, kan worden vergroot tot maximaal 10 m. De Afdeling verwierp ook de stelling dat de vergunning in strijd zou zijn met het zorgvuldigheidsbeginsel of de rechtszekerheid.
Verder concludeert de Afdeling dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de vergunning niet strijdig is met een goede ruimtelijke ordening en dat de belangenafweging door het college binnen de beleidsruimte is gebleven. Ook de bezwaren over de toepassing van de Awb, de bouwverordening en de Natura 2000-gebieden slaagden niet. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de vergunning voor de hogere speeltoestellen wordt bevestigd.