ECLI:NL:RVS:2025:2056
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering omzettingsvergunning zelfstandige woonruimte Den Haag
Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag weigerde vergunningen voor het omzetten van zelfstandige woonruimten aan twee locaties in Den Haag in onzelfstandige woonruimte voor vier personen. De vergunningaanvragen werden afgewezen op grond van de Huisvestingsverordening Den Haag 2019 en het gewijzigde beleid dat een tijdelijke stop op omzettingsvergunningen voor vier kamers in de hele gemeente inhield.
De rechtbank Den Haag vernietigde deze besluiten wegens een motiveringsgebrek en gaf het college opdracht nieuwe besluiten te nemen. Het college stelde hiertegen hoger beroep in, maar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verklaarde het hoger beroep en de incidentele beroepen ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank.
De Afdeling oordeelde dat het college bij de nieuwe besluiten het overgangsrecht van artikel 8:1 van Pro de Huisvestingsverordening Den Haag 2023 had moeten toepassen, waardoor het recht van toepassing is zoals dat gold ten tijde van het primaire besluit. Het college had dit niet gedaan, waardoor de besluiten van 1 september 2023 en 26 februari 2024 werden vernietigd. De Afdeling droeg het college op binnen twaalf weken nieuwe besluiten te nemen en stelde een termijn voor het instellen van beroep vast.
Daarnaast werd het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn deels toegewezen voor het besluit van 6 april 2021, waarbij de Staat werd veroordeeld tot betaling van € 500,00. Proceskosten werden eveneens toegewezen aan appellant. De Afdeling benadrukte het belang van een zorgvuldige belangenafweging door het college bij het verlenen of weigeren van omzettingsvergunningen.
Uitkomst: De besluiten van het college van B&W Den Haag van 1 september 2023 en 26 februari 2024 worden vernietigd en het college wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen met toepassing van het juiste overgangsrecht.