ECLI:NL:RVS:2025:158
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdeling na belangenafweging artikel 8 EVRM
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees op 11 februari 2020 de aanvraag van de vreemdeling om een machtiging tot voorlopig verblijf af. Na een bezwaarprocedure en een uitspraak van de rechtbank Den Haag, waarin het beroep van de vreemdeling ongegrond werd verklaard, stelde de vreemdeling hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De vreemdeling voerde aan dat de belangenafweging op grond van artikel 8 EVRM Pro niet correct was uitgevoerd. De Afdeling overwoog dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd en dat er geen sprake was van een familieleven tussen de vreemdeling en de referent. Hierdoor was een belangenafweging niet noodzakelijk.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep ongegrond en bevestigde de uitspraak van de rechtbank. De minister werd niet verplicht proceskosten te vergoeden. Hiermee blijft de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf in stand.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt bevestigd.