ECLI:NL:RVS:2025:1579
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging lagere uitkering Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs beroepsmatig functioneren
Appellant heeft een uitkering aangevraagd uit het Schadefonds Geweldsmisdrijven wegens blijvend verlies van reuk- en smaakvermogen na een geweldsmisdrijf. De Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven kende hem een uitkering toe in letselcategorie 2, wat een lagere uitkering betreft. Appellant betwistte dit en voerde aan dat hij recht heeft op een hogere uitkering in letselcategorie 3, die geldt bij blijvende beperkingen in het beroepsmatig functioneren.
De rechtbank stelde dat appellant onvoldoende had onderbouwd dat hij beroeps- of bedrijfsmatig heeft gefunctioneerd of daaraan gelijk te stellen activiteiten heeft verricht, mede vanwege zijn illegale verblijfsstatus en het ontbreken van objectieve bewijsstukken. Appellant verwees in hoger beroep naar een verklaring van een forensisch psychiater en gaf aan dat hij verklaringen over zijn werk als kok zou overleggen, maar na heropening van het onderzoek werden deze stukken niet ingediend.
De Afdeling bestuursrechtspraak concludeert dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij beroepsmatig heeft gefunctioneerd en bevestigt daarom het besluit van de Commissie en de uitspraak van de rechtbank. De uitkering blijft derhalve beperkt tot letselcategorie 2. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de lagere uitkering in letselcategorie 2 wordt bevestigd.