ECLI:NL:RVS:2025:1506
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing machtiging voorlopig verblijf op grond van artikel 8 EVRM
Appellant, een Syrische nationaliteit houdende moeder van een jongvolwassene met een verblijfsvergunning asiel, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) in Nederland. De staatssecretaris wees dit verzoek af, waarna bezwaar en beroep werden ingesteld. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond. In hoger beroep klaagde appellant over de beoordeling van de financiële zelfstandigheid van haar zoon, de referent, en de belangenafweging omtrent het familie- en gezinsleven.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de minister onterecht een te strenge maatstaf hanteerde voor de financiële zelfstandigheid van de referent, die nog jong is en inspanningen verricht om in zijn levensonderhoud te voorzien. Ook werd geoordeeld dat de minister onvoldoende rekening hield met het gewicht van een onoverkomelijke belemmering om het familie- en gezinsleven in Syrië uit te oefenen, en dat het gebruik van moderne communicatiemiddelen dit niet volledig compenseert.
De Afdeling vernietigde het besluit van 30 augustus 2022 en de uitspraak van de rechtbank, en bepaalde dat de minister een nieuw besluit moet nemen. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van € 2.721,00. De griffierechten werden niet vergoed omdat deze niet geheven waren.
Uitkomst: Het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf en de uitspraak van de rechtbank worden vernietigd; de minister moet een nieuw besluit nemen.