ECLI:NL:RVS:2025:1451
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging niet-ontvankelijkheid aanvraag urgentieverklaring wegens ontbreken aanvraagformulier
Appellant diende een aanvraag in voor een urgentieverklaring om opgenomen te worden in een begeleid wonen traject vanwege mentale problematiek. Het college van burgemeester en wethouders van Den Haag stelde deze aanvraag buiten behandeling omdat appellant het verplichte aanvraagformulier niet had gebruikt, zoals voorgeschreven in de Huisvestingswet 2014 en de Huisvestingsverordening Den Haag 2019.
De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellant tegen dit besluit ongegrond, maar vernietigde het besluit van het college en stelde het bezwaar alsnog niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van het aanvraagformulier. De rechtbank oordeelde dat appellant geen proceskostenvergoeding kreeg omdat hij vanaf het begin werd bijgestaan door een gemachtigde en het college niet tijdig op de hoogte was gesteld van zijn detentie.
In hoger beroep herhaalde appellant zijn eerdere argumenten, maar de Raad van State vond geen aanleiding om het oordeel van de rechtbank te wijzigen. De Afdeling bestuursrechtspraak bevestigde dat de aanvraag terecht buiten behandeling is gesteld en dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden. Tevens werd gewezen op het aparte traject voor gedetineerden via de reclassering voor convenantwoningen, dat losstaat van de urgentieverklaring.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.