ECLI:NL:RVS:2025:1352
Raad van State
- Hoger beroep
- M.J.M. Ristra-Peeters
- Rechtspraak.nl
Vaststelling beslistermijn machtiging voorlopig verblijf in hoger beroep
De vreemdeling stelde beroep in tegen het niet tijdig nemen van een besluit op zijn aanvraag voor een machtiging tot voorlopig verblijf. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en legde de minister een termijn van twee weken op om alsnog een besluit te nemen, met een dwangsom bij overschrijding.
De minister stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat de rechtbank ten onrechte de beslistermijn van twaalf weken liet ingaan op de datum van ontvangst van de ingebrekestelling in plaats van vanaf de dag na verzending van de uitspraak. Tevens werd vastgesteld dat de rechtbank onterecht geen rekening hield met de mogelijkheid van een langere termijn in bijzondere gevallen volgens artikel 8:55d, derde lid, Awb.
De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het deel van de uitspraak waarin de termijn van twee weken werd opgelegd en stelde deze termijn vast op twaalf weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank. De overige onderdelen van de uitspraak werden bevestigd en de minister werd niet veroordeeld tot proceskostenvergoeding.
Uitkomst: De beslistermijn voor het nemen van een besluit op de aanvraag machtiging voorlopig verblijf is vastgesteld op twaalf weken na verzending van de uitspraak van de rechtbank.