ECLI:NL:RVS:2025:1157
Raad van State
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.T.J.M. Jurgens
- J. Gundelach
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen ambtshalve vaststelling biobrandstofhoeveelheid Lukoil door Nederlandse Emissieautoriteit
Lukoil heeft in 2018 veertien keer hernieuwbare energie in het register ingeboekt, bestaande uit 2.402.676 kg vloeibare biobrandstof, waarvoor 194.128 HBE’s werden toegekend. De Nederlandse Emissieautoriteit (NEa) stelde bij besluit van 21 november 2019 ambtshalve vast dat de ingeboekte hoeveelheden vloeibare biobrandstof slechts 1 kg per inboeking bedroegen, wegens onvoldoende bewijs dat de geleverde brandstof daadwerkelijk de ingeboekte hoeveelheid biobrandstof bevatte.
Lukoil voerde aan dat de NEa niet had aangetoond dat vermenging met fossiele brandstoffen had plaatsgevonden en dat de NEa onterecht een bewijsverplichting op moleculair niveau eiste. Tevens stelde Lukoil dat het massabalanssysteem van de ISCC-regeling voldoende was en dat de NEa niet bevoegd was tot ambtshalve vaststelling. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State oordeelde dat de NEa bevoegd was en dat Lukoil niet had voldaan aan de bewijsverplichting. De massabalans van de ISCC-regeling betreft alleen duurzaamheidscriteria en niet de hoeveelheid biobrandstof in het mengsel.
De Afdeling achtte het aannemelijk dat in Antwerpen vermenging met fossiele brandstoffen had plaatsgevonden en dat Lukoil geen sluitende administratie had bijgehouden over de mengverhoudingen. Hierdoor kon de NEa niet vaststellen hoeveel biobrandstof daadwerkelijk was geleverd. Het beroep van Lukoil werd ongegrond verklaard en het besluit van de NEa gehandhaafd. Tevens werd geoordeeld dat er geen sprake was van onrechtmatige ontneming van eigendom van HBE’s, omdat deze slechts voorlopig waren bijgeschreven.
Uitkomst: Het beroep van Lukoil wordt ongegrond verklaard en de ambtshalve vaststelling van de NEa gehandhaafd.