ECLI:NL:RVS:2025:1149
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing uitkering schadefonds geweldsmisdrijven wegens onvoldoende bewijs opzettelijk geweldsmisdrijf
Appellant heeft op 23 februari 2022 een aanvraag ingediend bij de Commissie Schadefonds Geweldsmisdrijven (CSG) voor een uitkering uit het schadefonds, naar aanleiding van een incident op 31 december 2021 waarbij haar ex-partner een schotwond opliep. De CSG wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat zij getuige was van een opzettelijk gepleegd geweldsmisdrijf zoals bedoeld in artikel 3 van Pro de Wet schadefonds geweldsmisdrijven.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat de verklaringen van appellant over het incident wisselend en tegenstrijdig waren, en dat ook verklaringen van andere betrokkenen niet overeenkwamen. Daarnaast was er geen objectieve informatie die de opgave van appellant ondersteunde. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel werd verworpen omdat dit slechts een algemene verwijzing betrof.
In hoger beroep heeft appellant dezelfde gronden aangevoerd, maar zonder nieuwe argumenten of bewijs. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vond de gemotiveerde beoordeling van de rechtbank juist en bevestigde de uitspraak. De CSG hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de uitkering uit het schadefonds wordt bevestigd.