ECLI:NL:RVS:2025:1062
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing machtiging voorlopig verblijf vreemdelingen
Bij besluit van 10 juni 2022 wees de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid de aanvraag van drie vreemdelingen om een machtiging tot voorlopig verblijf af. De vreemdelingen maakten bezwaar, dat op 25 mei 2023 ongegrond werd verklaard. Vervolgens verklaarde de rechtbank Den Haag het beroep van de vreemdelingen op 25 september 2023 eveneens ongegrond.
De vreemdelingen stelden hoger beroep in bij de Raad van State. Zij voerden onder meer aan dat de rechtbank ten onrechte niet had getoetst of de belangenafweging van de minister een 'fair balance' vormde in het kader van artikel 8 EVRM Pro over familie- en gezinsleven. De Raad van State overwoog dat de minister zich deugdelijk had gemotiveerd dat er geen familie- en gezinsleven bestond tussen de vreemdelingen en de referent, en dat er geen bijkomende afhankelijkheid was die een belangenafweging noodzakelijk maakte.
De grieven van de vreemdelingen werden niet gegrond verklaard, mede omdat deze geen vragen van belang voor rechtseenheid of rechtsontwikkeling bevatten. De Raad van State bevestigde daarom de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.