ECLI:NL:RVS:2025:1037
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing vergunning omzetting woonruimte in onzelfstandige woonruimten in Amsterdam
Het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam verleende op 12 februari 2021 een vergunning aan een vergunninghouder om een zelfstandige woonruimte aan een locatie in Amsterdam om te zetten in vier onzelfstandige woonruimten. Appellanten voerden in hoger beroep aan dat deze vergunningverlening het pandquotum overschrijdt, omdat de omzetting volgens hen leidt tot verkamering van 40% van het aantal woonlagen en 38% van de totale woonoppervlakte, wat het maximum van 25% overschrijdt.
De rechtbank had het beroep van appellanten ongegrond verklaard en ook de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State bevestigt dit oordeel. De Afdeling overwoog dat het pandquotum moet worden gerelateerd aan het aantal woningen in het pand en niet aan de feitelijke indeling. De door appellanten voorgestelde berekening is niet in overeenstemming met de Huisvestingsverordening Amsterdam 2020, met name artikel 3.3.11, tweede lid, aanhef en onder c.
Verder oordeelde de Afdeling dat de situatie met een gedeeld trappenhuis en een halletje als garderobe niet als een afwijkende indeling in de zin van artikel 3.3.11, derde lid, kan worden aangemerkt, zodat een individuele afweging niet aan de orde is. De overige bezwaren van appellanten zijn herhalingen van eerdere standpunten die reeds gemotiveerd door de rechtbank zijn beoordeeld.
Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.