ECLI:NL:RVS:2024:904

Raad van State

Datum uitspraak
7 maart 2024
Publicatiedatum
5 maart 2024
Zaaknummer
BRS.24.000002
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 28 lid 3 DublinverordeningArt. 29 DublinverordeningArt. 42 aanhef en onder a DublinverordeningArt. 42 aanhef en onder b Dublinverordening
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank inzake bewaring vreemdeling met overdracht aan Bulgarije

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde een vreemdeling op 22 november 2023 in bewaring met het oog op overdracht aan Bulgarije. De Bulgaarse autoriteiten accepteerden het claimverzoek op 28 november 2023 en de overdracht stond gepland voor 9 januari 2024. De rechtbank Den Haag oordeelde dat deze overdracht te laat zou plaatsvinden, waardoor de maximumduur van de bewaring werd overschreden, en hechtte aan het beroep van de vreemdeling.

De staatssecretaris stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De Raad van State oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de termijn van zes weken uit artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening verwisselde met de overdrachtstermijn van zes maanden uit artikel 29. Tevens werd geoordeeld dat de bewaring tot het einde van 9 januari 2024 mocht duren, omdat de dag van acceptatie van het claimverzoek niet meetelt in de termijn.

De Raad van State vernietigde daarom het vonnis van de rechtbank en verklaarde het beroep van de staatssecretaris gegrond. Er waren geen overige beroepsgronden die aanleiding gaven om de bewaring onrechtmatig te achten. Het verzoek om schadevergoeding werd afgewezen en de staatssecretaris hoefde geen proceskosten te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep van de staatssecretaris wordt gegrond verklaard, het vonnis van de rechtbank wordt vernietigd en het beroep wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.24.000002
Datum uitspraak: 7 maart 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 januari 2024 in zaak nr. NL23.39925 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris
Procesverloop
Bij besluit van 22 november 2023 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 4 januari 2024 heeft de rechtbank het met een kennisgeving vanwege de staatssecretaris daartegen aanhangig gemaakte beroep gegrond verklaard, de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van die dag bevolen en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. L.J. Meijering, advocaat te Assen, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de vreemdeling in bewaring gesteld met het oog op overdracht aan Bulgarije (artikel 59a van de Vw 2000). In dit geval hebben de Bulgaarse autoriteiten het claimverzoek van de staatssecretaris op 28 november 2023 geaccepteerd en stond de overdracht gepland voor 9 januari 2024. Uitgaande van die overdrachtsdatum zou de overdracht volgens de rechtbank te laat plaatsvinden en zou de maximumduur van de bewaring worden overschreden (artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening).
2.       De staatssecretaris klaagt in zijn grieven terecht over dit oordeel. Ten eerste klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de in artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening genoemde termijn van zes weken niet hetzelfde is als de termijn waarbinnen de overdracht moet plaatsvinden. Dat artikellid regelt alleen de maximumduur van de bewaring. De overdrachtstermijn wordt geregeld door artikel 29 van Pro de Dublinverordening en bedraagt in beginsel zes maanden. Uit de tekst van artikel 28, derde lid, van de Dublinverordening blijkt ook dat artikel 29 van Pro overeenkomstige toepassing blijft. Ten tweede klaagt de staatssecretaris terecht dat de rechtbank niet heeft onderkend dat de bewaring tot het einde van 9 januari 2024 mocht duren. De dag waarop de Bulgaarse autoriteiten het claimverzoek hebben geaccepteerd wordt namelijk niet bij de termijn van zes weken inbegrepen (artikel 42, aanhef en onder a, van de Dublinverordening). De termijn is dus niet ingegaan op dinsdag 28 november 2023, maar op woensdag 29 november 2023. De termijn liep vervolgens af bij het einde van dinsdag 9 januari 2024 (artikel 42, aanhef en onder b, van de Dublinverordening). De rechtbank heeft daarom ten onrechte overwogen dat de geplande overdracht op 9 januari 2024 zou leiden tot een overschrijding van de maximumduur van de bewaring. De grieven slagen.
3.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Omdat er geen beroepsgronden zijn die de rechtbank niet heeft besproken en de Afdeling ook ambtshalve geen reden ziet om de bewaring onrechtmatig te achten, is het beroep alsnog ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt daarom afgewezen. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Groningen, van 4 januari 2024 in zaak nr. NL23.39925;
III.      verklaart het beroep ongegrond;
IV.      wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. N. Verheij en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.W. Schippers, griffier.
w.g. Sevenster
voorzitter
w.g. Schippers
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 7 maart 2024
873