ECLI:NL:RVS:2024:835
Raad van State
- Hoger beroep
- E. Steendijk
- C.M. Wissels
- J.H. van Breda
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verklaring omtrent bezit Nederlanderschap na verlies door naturalisatie VS
Appellant, geboren in 1973 en van geboorte Nederlands, verloor zijn Nederlanderschap door naturalisatie in de Verenigde Staten in 2012. Hij vroeg in 2020 een verklaring omtrent het bezit van het Nederlanderschap aan, welke door de minister werd afgewezen op grond van artikel 15, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rijkswet op het Nederlanderschap (RWN).
De minister verving het eerdere besluit in januari 2023 en verklaarde het bezwaar niet-ontvankelijk. De rechtbank bevestigde dit oordeel, waarna appellant hoger beroep instelde. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de brief van afwijzing geen besluit in de zin van de Awb is, omdat er geen publiekrechtelijke grondslag voor de verklaring bestaat buiten artikel 15, vierde lid, RWN.
Appellant voerde onder meer aan dat een evenredigheidstoets en inhoudelijke toetsing vereist zijn, en dat de coronapandemie uitzonderingen rechtvaardigt, maar deze argumenten werden verworpen. Ook het beroep op het EU-Handvest en verzoek om prejudiciële vragen werden niet gehonoreerd.
De Afdeling oordeelde dat de minister niet in strijd handelde met het rechtszekerheidsbeginsel door het vervangende besluit en wees het beroep af. Wel werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. De Afdeling is onbevoegd om te oordelen over immateriële schadevergoeding.
Uitkomst: Het hoger beroep is niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 5 januari 2023 ongegrond verklaard.