ECLI:NL:RVS:2024:5404
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging watervergunning voor brug over a-watergang ondanks bezwaar om perceelsontsluiting
Het dagelijks bestuur van het Waterschap Brabantse Delta verleende op 3 december 2020 een watervergunning voor het aanleggen van een brug over een a-watergang in Waalwijk. Omwonenden, waaronder appellant A, waren het oneens met de perceelsontsluiting en de brug nabij hun woningen. De rechtbank verklaarde het bezwaar gegrond en stelde dat het dagelijks bestuur een onderzoekplicht heeft om te bezien of een alternatief voor de ontsluiting bestaat, en liet de beleidsregel 5.4.1.1 buiten toepassing.
In hoger beroep betoogden appellanten dat de aanhef van de beleidsregel overeind kan blijven en dat de brug een minimaal waterstaatkundig nadeel oplevert dat voldoende zou moeten zijn voor weigering. Het dagelijks bestuur stelde dat de rechtbank onjuist een eigen toetsingskader hanteerde en dat ook andere belangen dan waterstaatkundige belangen mogen worden meegewogen.
De Afdeling oordeelde dat de rechtbank ten onrechte artikel 5.4.1.1 buiten toepassing heeft gelaten en een eigen toetsingskader invoerde. De Afdeling bevestigde echter de uitspraak van de rechtbank dat de vergunning niet geweigerd had kunnen worden omdat er geen redelijk alternatief is en de waterstaatkundige nadelen minimaal zijn. De brug is nodig voor de ontsluiting van de woningen en de gevolgen voor de waterhuishouding zijn acceptabel.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard, met verbetering van gronden, en het dagelijks bestuur hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de watervergunning voor de brug wordt bevestigd.