ECLI:NL:RVS:2024:5269

Raad van State

Datum uitspraak
18 december 2024
Publicatiedatum
18 december 2024
Zaaknummer
202300696/1/A2
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 8:108 AwbArt. 11a Huisvestingsverordening gemeente Castricum 2019
Verwijzingen
4 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing urgentieverklaring wegens onvoldoende medische en sociale gronden

Appellant, woonachtig in een wooncomplex met sociale huurwoningen en een woonzorgcentrum, verzocht om een urgentieverklaring vanwege stress en pesterijen die leiden tot psychische klachten. Het college van burgemeester en wethouders van Castricum wees dit verzoek af omdat appellant niet voldeed aan de criteria van artikel 11a van de Huisvestingsverordening 2019.

Na een bezwaarprocedure en een eerdere uitspraak van de rechtbank Noord-Holland die het beroep ongegrond verklaarde, stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling constateerde dat appellant geen nieuwe of objectieve gegevens had aangevoerd die de eerdere gemotiveerde afwijzing konden weerleggen.

De Afdeling sluit zich aan bij het oordeel van de rechtbank en bevestigt de afwijzing van de urgentieverklaring. Tevens is vastgesteld dat het college geen proceskosten hoeft te vergoeden.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.

Uitspraak

202300696/1/A2.
Datum uitspraak: 18 december 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak als bedoeld in artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:
[appellant], wonend in Castricum,
appellant,
tegen de mondelinge uitspraak van de rechtbank Noord-Holland van 15 december 2022 in zaak nr. 22/256 in het geding tussen:
[appellant]
en
het college van burgemeester en wethouders van Castricum
Procesverloop
Bij besluit van 3 juni 2021 heeft het college de aanvraag van [appellant] om een urgentieverklaring afgewezen.
Bij besluit van 16 december 2021 heeft het college het door [appellant] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij mondelinge uitspraak van 15 december 2022 heeft de rechtbank het door [appellant] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld.
Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Geen van de partijen heeft binnen de gestelde termijn verklaard gebruik te willen maken van het recht ter zitting te worden gehoord, waarna de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:57, derde lid, gelezen in verbinding met artikel 8:108, eerste lid, van de Awb heeft gesloten.
Overwegingen
1.       [appellant] is woonachtig in [wooncomplex] dat deels bestaat uit (reguliere) sociale huurwoningen en deels een woonzorgcentrum voor ouderen is. [appellant] wil graag verhuizen omdat hij de woning, gezien zijn leeftijd (29 jaar ten tijde van de aanvraag), niet passend vindt voor hem. Hij ervaart veel stress van het samenwonen met ouderen en stelt dat hij gepest wordt. Dit uit zich naar eigen zeggen in klachten zoals onder meer nachtmerries, paniekaanvallen en depressieve gevoelens.
2.       Het college heeft de aanvraag van [appellant] afgewezen. Het college stelt zich op het standpunt dat [appellant] niet voldoet aan de in artikel 11a van de Huisvestingsverordening gemeente Castricum 2019 genoemde criteria voor een urgentieverklaring op grond van een medische/sociale indicatie. Ook heeft het college geen aanleiding gezien om toepassing te geven aan de hardheidsclausule.
3.       De gronden die [appellant] in hoger beroep heeft aangevoerd zijn zo goed als een herhaling van wat hij in beroep heeft aangevoerd. De rechtbank is gemotiveerd op die gronden ingegaan. [appellant] heeft geen redenen aangevoerd waarom de gemotiveerde beoordeling van die gronden in de aangevallen uitspraak onjuist of onvolledig zou zijn. De Afdeling kan zich vinden in het oordeel van de rechtbank en in de onder 6 opgenomen overwegingen, waarop dat oordeel is gebaseerd. De Afdeling voegt daaraan nog toe dat [appellant] ook in hoger beroep zijn stellingen over zijn sociale en/of medische gesteldheid niet met objectieve gegevens heeft onderbouwd.
4.       Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.
5.       Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. C.H.M. van Altena, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, griffier.
w.g. Van Altena
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. De Vink
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2024
154-1153