ECLI:NL:RVS:2024:4722
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken beroep bij rechtbank in zaak toevoeging rechtsbijstand
Appellant verzocht om een toevoeging voor rechtsbijstand, welke door de raad voor rechtsbijstand op 28 december 2020 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de raad dit besluit op 25 maart 2021 gehandhaafd. De rechtbank verklaarde het beroep van de rechtsbijstandverlener niet-ontvankelijk omdat deze alleen voor zichzelf beroep had ingesteld en niet namens appellant.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze uitspraak. De raad gaf uit coulance alsnog de toevoeging af en vergoedde het griffierecht, maar stelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat appellant geen beroep bij de rechtbank had ingesteld. Appellant trok het hoger beroep in onder de voorwaarde dat ook proceskosten werden vergoed, wat de raad weigerde.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat de rechtsbijstandverlener alleen voor zichzelf beroep instelde. De beroepschriften waren in de ik-vorm en ondertekend door de rechtsbijstandverlener zonder vermelding van optreden namens appellant. Omdat appellant zelf geen beroep bij de rechtbank instelde en hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. De Afdeling hoeft het verdere betoog van appellant niet te beoordelen en wijst het verzoek tot vergoeding van proceskosten af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.