ECLI:NL:RVS:2024:4720
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken beroep bij rechtbank in zaak toevoeging rechtsbijstand
Appellant vroeg een toevoeging voor rechtsbijstand aan, die door de raad voor rechtsbijstand op 12 augustus 2020 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de raad dit bezwaar ongegrond op 25 maart 2021. De rechtbank Noord-Nederland verklaarde het beroep van de rechtsbijstandverlener tegen dit besluit niet-ontvankelijk op 17 oktober 2022. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Raad van State.
De raad voor rechtsbijstand gaf bij besluit van 26 september 2024 uit coulance alsnog de toevoeging af en vergoedde het betaalde griffierecht. De raad stelde echter dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat appellant geen beroep bij de rechtbank had ingesteld. Appellant trok het hoger beroep in onder de voorwaarde dat zijn verzoek tot vergoeding van overige proceskosten werd ingewilligd, maar de raad ging hier niet op in.
De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat de rechtsbijstandverlener alleen voor zichzelf beroep had ingesteld en niet namens appellant. De beroepschriften waren in de ik-vorm en ondertekend door de rechtsbijstandverlener zonder vermelding dat hij ook namens appellant optreedt. De Afdeling oordeelde dat appellant geen beroep bij de rechtbank had ingesteld en dat hem dit redelijkerwijs niet kan worden verweten, zodat het hoger beroep niet-ontvankelijk is verklaard. Het verzoek tot vergoeding van proceskosten werd afgewezen.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.