ECLI:NL:RVS:2024:4719
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkheid hoger beroep wegens ontbreken beroep bij rechtbank in toevoegingszaak rechtsbijstand
Appellant had bij de raad voor rechtsbijstand een aanvraag gedaan voor een toevoeging voor rechtsbijstand, welke op 12 augustus 2020 werd afgewezen. Na bezwaar verklaarde de raad dit bezwaar ongegrond. Rechtsbijstandverlener stelde namens zichzelf beroep in bij de rechtbank, maar appellant zelf niet. De rechtbank verklaarde het beroep niet-ontvankelijk. Appellant stelde vervolgens hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.
De raad gaf uit coulance alsnog de toevoeging af en vergoedde het griffierecht, maar stelde dat het hoger beroep niet-ontvankelijk was omdat appellant geen beroep bij de rechtbank had ingesteld. Appellant trok het hoger beroep in onder de voorwaarde dat ook de overige proceskosten werden vergoed, wat de raad weigerde.
De Afdeling oordeelt dat het beroep van de rechtsbijstandverlener uitsluitend voor zichzelf was ingesteld en niet mede namens appellant. De beroepschriften waren in de ik-vorm en ondertekend door de rechtsbijstandverlener zonder vermelding van optreden namens appellant. Omdat appellant geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld en hem dit redelijkerwijs kan worden verweten, is het hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard. Het resterende betoog van appellant wordt niet inhoudelijk behandeld en er is geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat appellant geen beroep bij de rechtbank heeft ingesteld.