ECLI:NL:RVS:2024:4627
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling krijgt schadevergoeding na onrechtmatige grensdetentie op grond van tijdelijke beschermingsrichtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid legde op 22 februari 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een Oekraïense vreemdeling. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze maatregel op 16 april 2024 ongegrond en wees tevens het verzoek om schadevergoeding af.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Raad van State, stellende dat de plaatsing in grensdetentie onrechtmatig was omdat zij een beroep deed op de Richtlijn tijdelijke bescherming 2001/55/EG. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde in een eerdere uitspraak (ECLI:NL:RVS:2024:4292) dat Oekraïners die zich op deze richtlijn beroepen niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in grensdetentie mogen worden geplaatst.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en stelde het beroep alsnog in het voordeel van de vreemdeling. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel inmiddels was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van €500 over de periode van 22 tot en met 26 februari 2024. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.625, toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Uitkomst: De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank, kent een schadevergoeding toe en veroordeelt de minister tot proceskostenvergoeding.