ECLI:NL:RVS:2024:4535
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onrechtmatige grensdetentie van Oekraïense vreemdeling en toekenning schadevergoeding
De minister van Asiel en Migratie legde op 25 juli 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een Oekraïense vreemdeling, die daarop beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig was vanaf het begin van de detentie, omdat Oekraïners die een beroep doen op Richtlijn 2001/55/EG niet in grensdetentie mogen worden geplaatst. Hiermee werd het oordeel van de rechtbank bevestigd en zelfs aangescherpt, aangezien de rechtbank onrechtmatigheid pas vanaf 27 juli 2024 had vastgesteld.
De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep werd gegrond verklaard en de vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van €700 over de periode 25 tot en met 31 juli 2024. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.625,00. Omdat de maatregel al was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: De grensdetentie van de Oekraïense vreemdeling was onrechtmatig vanaf het begin en hij krijgt een schadevergoeding van €700,00; het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.