ECLI:NL:RVS:2024:4535

Raad van State

Datum uitspraak
11 november 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
BRS.24.000315
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 Vw 2000Art. 106 Vw 2000Richtlijn 2001/55/EGArt. 8:54 Awb
Verwijzingen
5 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onrechtmatige grensdetentie van Oekraïense vreemdeling en toekenning schadevergoeding

De minister van Asiel en Migratie legde op 25 juli 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een Oekraïense vreemdeling, die daarop beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.

De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de grensdetentie op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 onrechtmatig was vanaf het begin van de detentie, omdat Oekraïners die een beroep doen op Richtlijn 2001/55/EG niet in grensdetentie mogen worden geplaatst. Hiermee werd het oordeel van de rechtbank bevestigd en zelfs aangescherpt, aangezien de rechtbank onrechtmatigheid pas vanaf 27 juli 2024 had vastgesteld.

De uitspraak van de rechtbank werd vernietigd, het beroep werd gegrond verklaard en de vreemdeling kreeg recht op een schadevergoeding van €700 over de periode 25 tot en met 31 juli 2024. Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.625,00. Omdat de maatregel al was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: De grensdetentie van de Oekraïense vreemdeling was onrechtmatig vanaf het begin en hij krijgt een schadevergoeding van €700,00; het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

BRS.24.000315
Datum uitspraak: 11 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de minister van Asiel en Migratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 augustus 2024 in zaak nr. NL24.30259 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister.
Procesverloop
Bij besluit van 25 juli 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 15 augustus 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de minister hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. F. Khodajoo-Aziz Maleki, advocaat in Hoofddorp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1.       De minister heeft de vreemdeling in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. Hij komt in zijn enige grief tevergeefs op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie met ingang van 27 juli 2024 onrechtmatig was. De vreemdeling heeft namelijk de Oekraïense nationaliteit en heeft een beroep gedaan op Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn tijdelijke bescherming). In de uitspraak van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4292, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister Oekraïners die een beroep doen op die richtlijn niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in grensdetentie mag plaatsen.
1.1.    De grief faalt.
2.       Het hoger beroep is ongegrond. De Afdeling toetst ambtshalve of er reden is om de bewaring al vanaf een eerdere datum onrechtmatig te achten.
2.1.    Gelet op wat de Afdeling onder 1 heeft overwogen, was de grensdetentie onrechtmatig vanaf de eerste dag en niet vanaf 27 juli 2024, zoals de rechtbank heeft geoordeeld.
3.       De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep ongegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 15 augustus 2024 in zaak nr. NL24.30259;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 700,00 over de periode van 25 juli 2024 tot en met 31 juli 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Moor-van Vugt
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 11 november 2024
347-1020