ECLI:NL:RVS:2024:4534

Raad van State

Datum uitspraak
12 november 2024
Publicatiedatum
7 november 2024
Zaaknummer
BRS.24.000289
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6, derde lid, Vw 2000Art. 106, eerste lid, Vw 2000Richtlijn 2001/55/EG
Verwijzingen
6 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie Oekraïense vreemdeling

De minister legde op 9 juli 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een Oekraïense vreemdeling, die daarop beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.

De Raad van State oordeelde dat de grensdetentie onrechtmatig was vanaf de eerste dag, omdat Oekraïners die een beroep doen op de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in grensdetentie mogen worden geplaatst. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak van 30 oktober 2024.

De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bevestigde dat de vreemdeling recht heeft op schadevergoeding over de periode van 9 tot en met 19 juli 2024. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Omdat de maatregel al was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.

Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige grensdetentie.

Uitspraak

BRS.24.000289
Datum uitspraak: 12 november 2024
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL24.27900 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 9 juli 2024 heeft de minister de vreemdeling een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd.
Bij uitspraak van 26 juli 2024 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en schadevergoeding toegekend.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. V.M. Oliana, advocaat in Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De minister heeft de vreemdeling in grensdetentie geplaatst op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000. De vreemdeling komt in zijn enige grief terecht op tegen het oordeel van de rechtbank dat de grensdetentie met ingang van 11 juli 2024 onrechtmatig was. Hij heeft namelijk de Oekraïense nationaliteit en heeft een beroep gedaan op Richtlijn 2001/55/EG (de Richtlijn tijdelijke bescherming). In de uitspraak van 30 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4292, heeft de Afdeling geoordeeld dat de minister Oekraïners die een beroep doen op die richtlijn niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 in grensdetentie mag plaatsen. De grensdetentie was dus onrechtmatig vanaf de eerste dag.
1.1.    De grief slaagt.
2.       Omdat de maatregel vanaf de eerste dag onrechtmatig was, bestaat voor ambtshalve toetsing geen aanleiding. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het beroep is gegrond. Omdat de vrijheidsontnemende maatregel al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, van 26 juli 2024 in zaak nr. NL24.27900;
III.      verklaart het beroep gegrond;
IV.     kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 1.100,00 over de periode van 9 juli 2024 tot en met 19 juli 2024, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
V.      veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.625,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.C.A. de Poorter, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J. van de Kolk, griffier.
w.g. De Poorter
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Van de Kolk
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 november 2024
347-1020