ECLI:NL:RVS:2024:4534
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank over onrechtmatige grensdetentie Oekraïense vreemdeling
De minister legde op 9 juli 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan een Oekraïense vreemdeling, die daarop beroep instelde bij de rechtbank. De rechtbank verklaarde het beroep gegrond en kende schadevergoeding toe. De minister ging hiertegen in hoger beroep bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelde dat de grensdetentie onrechtmatig was vanaf de eerste dag, omdat Oekraïners die een beroep doen op de Richtlijn tijdelijke bescherming (2001/55/EG) niet op grond van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 in grensdetentie mogen worden geplaatst. Dit oordeel sluit aan bij een eerdere uitspraak van 30 oktober 2024.
De Raad van State verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde de uitspraak van de rechtbank, en bevestigde dat de vreemdeling recht heeft op schadevergoeding over de periode van 9 tot en met 19 juli 2024. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Omdat de maatregel al was opgeheven, was een bevel tot opheffing niet nodig.
Uitkomst: De Raad van State vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het beroep gegrond en kent schadevergoeding toe wegens onrechtmatige grensdetentie.