ECLI:NL:RVS:2024:4512
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging onrechtmatige vrijheidsontnemende maatregel tegen vreemdeling
De minister van Asiel en Migratie legde op 20 september 2024 een vrijheidsontnemende maatregel op aan de vreemdeling. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die op 15 oktober 2024 het beroep gegrond verklaarde en schadevergoeding toekende.
De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State. De Afdeling bestuursrechtspraak overwoog dat het hoger beroep geen nieuwe rechtsvragen bevat die van belang zijn voor rechtseenheid, rechtsontwikkeling of rechtsbescherming, mede omdat een soortgelijke kwestie reeds op 30 oktober 2024 was beantwoord.
De Raad van State oordeelde dat de rechtbank terecht had geoordeeld dat de maatregel vanaf het begin onrechtmatig was en dat ambtshalve toetsing niet nodig was. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.