ECLI:NL:RVS:2024:4385
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Onbevoegdheid Raad van State bij hoger beroep tegen niet-ontvankelijkheid beroep wegens niet-betaling griffierecht
Appellant heeft op 2 januari 2022 een verzoek om inzage van zijn persoonsgegevens ingediend bij de korpschef van de politie. Na het uitblijven van een tijdige beslissing stelde appellant de korpschef in gebreke en diende op 9 maart 2022 een beroep in bij de rechtbank wegens het niet tijdig nemen van een besluit. De rechtbank verklaarde dit beroep op 7 juli 2022 niet-ontvankelijk omdat appellant het griffierecht niet had betaald en zijn inkomen niet laag genoeg was voor vrijstelling.
Appellant deed hiertegen verzet bij de rechtbank, dat op 3 november 2022 ongegrond werd verklaard. Vervolgens stelde appellant hoger beroep in bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Tijdens de zitting op 21 februari 2024 verscheen appellant en betoogde dat hij werd gediscrimineerd en dat zijn recht op toegang tot de rechter werd geschonden.
De Afdeling oordeelt dat de rechtbank terecht het griffierecht heeft geheven en dat het verzet niet tot een schending van fundamentele rechtsbeginselen heeft geleid. De Afdeling is daarom onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer onder leiding van lid C.J. Borman.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens niet-ontvankelijkheid van het beroep wegens niet-betaling van griffierecht.