ECLI:NL:RVS:2024:4367
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen boete en waarschuwing preventieve stillegging wegens overtredingen Wet arbeid vreemdelingen
De minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid legde [appellante], onderdeel van [bedrijf A], een boete van €288.000,- op wegens overtredingen van de Wet arbeid vreemdelingen (Wav), waaronder het inzetten van chauffeurs zonder tewerkstellingsvergunning en het niet voldoen aan identificatieverplichtingen. Tevens werd een waarschuwing preventieve stillegging gegeven. De rechtbank verklaarde het beroep deels gegrond en matigde de boete tot €216.000,-, maar wees het beroep tegen de waarschuwing af.
In hoger beroep stelde de Afdeling vast dat de minister onvoldoende bewijs had geleverd dat tien chauffeurs daadwerkelijk arbeid voor [appellante] hadden verricht, waardoor voor deze overtredingen de boete onterecht was opgelegd. De Afdeling oordeelde dat [appellante] als werkgever moest worden aangemerkt vanwege de feitelijke bemoeienis en het samenwerkingsverband met [bedrijf B]. Daarnaast werd geoordeeld dat artikel 15a Wav niet in strijd is met het recht op vrij verkeer van werknemers en de AVG.
De Afdeling bevestigde dat sprake is van grove schuld vanwege onvoldoende toezicht en naleving van de Wav door [appellante]. De genomen maatregelen waren onvoldoende en te laat. De cumulatie van boetes werd niet gematigd vanwege de ernst van de overtredingen. Wel werd geoordeeld dat de minister onvoldoende had gemotiveerd dat de waarschuwing preventieve stillegging evenredig was, waardoor dit besluit werd vernietigd. De boete werd vastgesteld op €156.000,- en de minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.
Uitkomst: De boete wordt vastgesteld op €156.000,- en het besluit over de waarschuwing preventieve stillegging wordt vernietigd en terugverwezen.