ECLI:NL:RVS:2024:4157
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing urgentieverklaring wegens ontbreken urgent huisvestingsprobleem en medische urgentie
Appellant, gediagnosticeerd met schizofrenie en bekend met verslavingsproblematiek, vroeg op 29 januari 2021 een urgentieverklaring aan bij het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam. Deze werd afgewezen omdat appellant niet als dakloos werd beschouwd en niet voldeed aan de voorwaarden voor medische urgentie, waaronder minimaal zes maanden behandeling bij een GGZ-instelling.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, waarna appellant hoger beroep instelde. Op de zitting bleek dat appellant inmiddels niet meer bij zijn ouders woont en veelal op straat verblijft. Desondanks oordeelde de Afdeling dat het college terecht geen urgentieverklaring op medische gronden hoefde te verlenen, omdat appellant niet onder behandeling was en de medische stukken onvoldoende waren om de GGD om advies te vragen.
De Afdeling overwoog dat de hardheidsclausule slechts in schrijnende gevallen toepassing vindt en dat de beperkte sociale woningvoorraad strenge selectie vereist. De aangevallen uitspraak werd bevestigd en het hoger beroep ongegrond verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de urgentieverklaring bevestigd.