ECLI:NL:RVS:2024:413
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit beëindiging tijdelijke bescherming vreemdeling op grond van EU-richtlijn
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid had bij besluit van 31 augustus 2023 bepaald dat het recht op tijdelijke bescherming van de vreemdeling op grond van Richtlijn 2001/55/EG en het Uitvoeringsbesluit (EU) 2022/382 per 4 september 2023 zou eindigen. De vreemdeling stelde hiertegen beroep in bij de rechtbank Den Haag, die dit beroep op 4 december 2023 ongegrond verklaarde.
De vreemdeling ging in hoger beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. De Afdeling verwijst naar een eerdere uitspraak van 17 januari 2024 waarin is geoordeeld dat tijdelijke bescherming die krachtens de Richtlijn Tijdelijke Bescherming wordt geboden, niet voortijdig kan worden beëindigd door de staatssecretaris. De bescherming loopt door tot 4 maart 2024, de datum waarop de richtlijn eindigt.
De Raad van State verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt de uitspraak van de rechtbank en het besluit van 31 augustus 2023. Tevens veroordeelt zij de staatssecretaris tot vergoeding van de proceskosten van de vreemdeling. De staatssecretaris moet bepalen op welke wijze hij de vreemdeling informeert over het voortduren van de tijdelijke bescherming.
Uitkomst: Het besluit van de staatssecretaris om de tijdelijke bescherming per 4 september 2023 te beëindigen wordt vernietigd en de bescherming loopt door tot 4 maart 2024.