ECLI:NL:RVS:2024:4085
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen last onder dwangsom voor het bij zich dragen van inbrekerswerktuigen op openbare plaats
Het college van burgemeester en wethouders van Goirle legde appellant een last onder dwangsom op wegens het bij zich dragen en vervoeren van inbrekerswerktuigen op een openbare plaats, gebaseerd op een proces-verbaal van de politie van november 2020. Appellant werd aangetroffen in een slooppand met onder meer een schroevendraaier en zaklamp in zijn broekzak, en kniptangen op het terrein. De rechtbank oordeelde echter dat het terrein geen openbare plaats was en vernietigde de besluiten van het college.
Het college stelde hoger beroep in en voerde aan dat het proces-verbaal een deugdelijke en controleerbare vaststelling van de feiten bevatte waaruit blijkt dat appellant de werktuigen over de openbare weg vervoerde. De Afdeling bestuursrechtspraak stelde vast dat appellant niet op de plaats van aantreffen woonde en dat de omstandigheden, waaronder tijdstip en locatie, het aannemelijk maakten dat de werktuigen als inbrekerswerktuigen konden worden aangemerkt.
Daarnaast oordeelde de Afdeling dat het college bevoegd was om de dwangsom in te vorderen, omdat appellant op een later moment opnieuw werd betrapt met inbrekerswerktuigen op een openbare plaats. De Afdeling verklaarde het hoger beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank en verklaarde de beroepen van appellant ongegrond. Het college hoefde geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bestuursrechtspraak verklaart het hoger beroep gegrond, vernietigt het vonnis van de rechtbank en verklaart de beroepen van appellant ongegrond.