ECLI:NL:RVS:2024:4040
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen opheffing bewaring vreemdeling wegens misbruik van recht
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 11 april 2024 in bewaring. De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling gegrond en beval de opheffing van de bewaring met schadevergoeding. De minister stelde hiertegen hoger beroep in bij de Raad van State.
De Raad van State oordeelt dat de vreemdeling misbruik van recht heeft gemaakt door op 19 april 2024 een aanvraag in te dienen voor inschrijving als burger van de Unie, met als doel kunstmatig procedureel rechtmatig verblijf te verkrijgen en daarmee invrijheidsstelling te bewerkstelligen. De aanvraag bevatte geen onderbouwing en werd pas tijdens de bewaring ingediend, terwijl de vreemdeling al langer wist dat hij geen rechtmatig verblijf had.
De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigt de uitspraak van de rechtbank, verklaart het hoger beroep gegrond en het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen en de minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de minister wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de rechtbank vernietigd en het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard.