ECLI:NL:RVS:2024:3804
Raad van State
- Hoger beroep
- J.H. van Breda
- A.J.C. de Moor-van Vugt
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Vreemdeling verliest hoger beroep tegen afwijzing machtiging voorlopig verblijf als familiepleegkind
De vreemdeling, geboren in 2006 en Colombiaans staatsburger, verzocht om een machtiging tot voorlopig verblijf in Nederland als familiepleegkind bij zijn grootmoeder, die de Nederlandse nationaliteit bezit en voogdij heeft. De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid wees dit verzoek in 2020 af, omdat niet aannemelijk was gemaakt dat de vreemdeling in Colombia geen aanvaardbare toekomst had.
De vreemdeling maakte bezwaar en ging in beroep bij de rechtbank Den Haag, die het beroep in 2023 ongegrond verklaarde. De vreemdeling stelde hoger beroep in bij de Raad van State. De Raad oordeelde dat de rechtbank ten onrechte de zorgcapaciteit van de ouders niet had beoordeeld, waardoor het eerdere oordeel niet kon blijven staan.
Na herbeoordeling concludeerde de Raad dat de psychische klachten van de moeder niet ernstig genoeg waren om aan te nemen dat zij niet voor de vreemdeling kon zorgen. Ook was onvoldoende gebleken dat de vader niet adequaat kon opvoeden. De Raad verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het vonnis van de rechtbank, maar verklaarde het beroep uiteindelijk ongegrond. De minister werd veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en terugbetaling van griffierecht.
Uitkomst: Het beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de machtiging tot voorlopig verblijf wordt gehandhaafd.