ECLI:NL:RVS:2024:3671
Raad van State
- Hoger beroep
- J.F. de Groot
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing tegemoetkoming planschade wegens voorzienbaarheid binnenplanse afwijking
Appellant kocht in 2010 een perceel naast een perceel waarop volgens het bestemmingsplan een woning mocht worden gebouwd met een maximale bouwhoogte van 9 meter en goothoogte van 4 meter. Het college verleende later een omgevingsvergunning voor een woning met een bouwhoogte van 9,65 meter en een goothoogte van 5,56 meter, hoger dan het bestemmingsplan toestond.
Appellant vroeg een tegemoetkoming in planschade aan wegens deze afwijking, maar het college wees dit af op basis van een advies van de onafhankelijke SAOZ. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond, omdat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van maximaal 10% al bestond ten tijde van de aankoop en daarmee de toename van de bouwhoogte en goothoogte deels voorzienbaar was.
In hoger beroep betoogde appellant dat de afwijking niet voorzienbaar was en dat het college ten onrechte het advies van de SAOZ had gevolgd. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat de SAOZ onafhankelijk is en dat de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van 10% inderdaad voorzag in een mogelijke toename van de bouwhoogte en goothoogte. De overschrijding van de goothoogte met 1,33 meter werd als niet voorzienbaar erkend, maar dit leidde niet tot een planologisch nadeel voor appellant.
De Afdeling bevestigde daarmee het oordeel van de rechtbank en het college en wees het hoger beroep af. De overgangsrechtelijke bepalingen van de Omgevingswet werden ook toegepast, waarbij het oude recht van de Wro bleef gelden. Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de tegemoetkoming in planschade wordt bevestigd.