ECLI:NL:RVS:2024:355
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beoordeling samenhang en rechtsbelang bij intrekking vergoeding rechtsbijstand High Trust-programma
De zaak betreft het hoger beroep van een advocaat die deelneemt aan het High Trust-programma van de Raad voor Rechtsbijstand. Het bestuur van de raad had de vergoeding voor rechtsbijstand, verleend op basis van een toevoeging met kenmerk 1HZ6700, ingetrokken omdat deze werkzaamheden onder een andere toevoeging (1HZ7465) vielen. De advocaat voerde aan dat het ging om verschillende rechtsbelangen en dat de intrekking onterecht was.
De rechtbank had het bezwaar van de advocaat tegen de intrekking gegrond verklaard, maar de Raad van State oordeelt dat beide toevoegingen betrekking hebben op hetzelfde rechtsbelang. Dit volgt uit het feit dat beide procedures nagenoeg hetzelfde feitencomplex betreffen en het doel en beoogd eindresultaat van de rechtsbijstand gelijk zijn, namelijk het verkrijgen van een bijstandsuitkering op grond van de Participatiewet.
De Raad overweegt dat het bestaan van meerdere rechtsvragen of een minimale periodeverschil niet leidt tot verschillende rechtsbelangen. Ook het beroep op het evenredigheidsbeginsel faalt. Daarnaast is geoordeeld dat de wijze van verrekening van proceskostenvergoedingen conform de wettelijke bepalingen correct is toegepast. Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de vergoeding blijft in stand.