ECLI:NL:RVS:2024:3499
Raad van State
- Hoger beroep
- C.J. Borman
- B.P. Vermeulen
- J.M.L. Niederer
- Rechtspraak.nl
Vaststelling bevoegdheid en dwangsom bij verzoek vrijstelling mondkapjesplicht openbaar vervoer
Appellant reisde met het openbaar vervoer van Tiel naar Amsterdam, deels binnen de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland, en verzocht op 4 juni 2020 om vrijstelling van de mondkapjesplicht. De voorzitter van de Veiligheidsregio nam dit verzoek op 2 juli 2020 niet in behandeling, stellende dat de Noodverordening zich richt tot vervoerders en niet tot individuele reizigers. Appellant maakte bezwaar en startte een procedure tegen het niet tijdig beslissen.
De rechtbank Amsterdam verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat de voorzitter terecht het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk had verklaard vanwege het ontbreken van bevoegdheid. In hoger beroep betoogde appellant dat de voorzitter wel bevoegd was op grond van artikel 3.1 van de Noodverordening en de Wet veiligheidsregio’s.
De Afdeling oordeelde dat de mededeling van de voorzitter als een besluit moet worden aangemerkt, dat het bezwaar ten onrechte kennelijk niet-ontvankelijk werd verklaard, maar bevestigde dat de voorzitter niet bevoegd was om vrijstelling te verlenen omdat de mondkapjesplicht zich niet rechtstreeks tot de reiziger richtte. De Afdeling verklaarde het bezwaar ongegrond, vernietigde het eerdere besluit en stelde een dwangsom van €1.442,00 vast wegens niet tijdig beslissen.
De uitspraak vervangt het vernietigde besluit en de voorzitter wordt verplicht het betaalde griffierecht aan appellant te vergoeden.
Uitkomst: De voorzitter was niet bevoegd om vrijstelling te verlenen, bezwaar werd ongegrond verklaard en een dwangsom van €1.442,00 werd toegekend wegens niet tijdig beslissen.