ECLI:NL:RVS:2024:3345
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep tegen bewaring vreemdeling en proceskostenveroordeling minister
De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 26 april 2024 in bewaring. De vreemdeling stelde beroep in tegen deze bewaring en tegen de proceskostenveroordeling die de rechtbank aan de vreemdeling had toegekend. De rechtbank oordeelde dat de minister niet voldeed aan de informatieplicht, maar dat dit gebrek niet leidde tot onrechtmatigheid van de bewaring. De rechtbank veroordeelde de minister tot betaling van proceskosten aan de vreemdeling.
In hoger beroep klaagde de minister over het oordeel dat sprake was van een gebrek, waarbij de Afdeling bestuursrechtspraak verwees naar eerdere uitspraken waarin werd bevestigd dat het verstrekken van een informatiefolder voldoet aan de informatieplicht. Daarnaast slaagde de minister in zijn grief dat de proceskostenveroordeling onterecht was.
Het hoger beroep van de vreemdeling leidde niet tot vernietiging van het vonnis, omdat de belangenafweging door de rechtbank terecht in het voordeel van de minister was gemaakt. De Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde daarom de proceskostenveroordeling en bevestigde het overige oordeel van de rechtbank. De bewaring werd niet onrechtmatig bevonden en de minister hoeft geen proceskosten in hoger beroep te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep van de vreemdeling wordt ongegrond verklaard, het hoger beroep van de minister gegrond, en de proceskostenveroordeling tegen de minister wordt vernietigd.