ECLI:NL:RVS:2024:3280
Raad van State
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing aanvraag facilitering overkomst naar Nederland voor Afghaanse vrouwenrechtenactiviste
Appellanten, bestaande uit een Afghaanse vrouwenrechtenactiviste, haar echtgenoot en kinderen, vroegen de minister van Buitenlandse Zaken om hun overkomst naar Nederland te faciliteren. De minister wees dit verzoek af omdat appellant geen oproep had ontvangen tijdens de acute evacuatiefase en niet tot de groepen behoorde waarvoor een speciale voorziening was ingesteld.
De rechtbank bevestigde deze afwijzing en oordeelde dat bijzondere individuele omstandigheden niet betrokken konden worden bij de beoordeling van de aanvraag. Appellanten stelden in hoger beroep dat de minister wel rekening had moeten houden met bijzondere omstandigheden, zoals hun band met Nederland en het gevaar in Afghanistan, en dat appellant tot een derde groep behoorde die volgens Kamerbrieven in aanmerking kon komen.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelde dat appellanten onvoldoende aannemelijk hadden gemaakt dat bijzondere omstandigheden zich voordeden die een afwijking van het beleid rechtvaardigen. Het feit dat appellant als vrouwenrechtenactiviste werkte en meewerkte aan een Nederlandse documentaire, bood onvoldoende grond voor overkomst. Ook het gevaar in Afghanistan en het ontbreken van tegengestelde belangen waren geen bijzondere omstandigheden.
Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd, waarbij de Afdeling de gronden verbeterde. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de afwijzing van de aanvraag tot facilitering van overkomst naar Nederland bevestigd.