ECLI:NL:RVS:2024:3203
Raad van State
- Hoger beroep
- J.E.M. Polak
- C.H.M. van Altena
- M. den Heyer
- Rechtspraak.nl
Bestuursrechtelijke toetsing herbeplantingsplicht en compensatieplan bij illegale kap bomen
Appellant heeft zonder voorafgaande melding meerdere bomen aan de Voortseweg in Epse gekapt, waarna het college van gedeputeerde staten van Gelderland een last onder dwangsom oplegde en de kap stillegde. De rechtbank bevestigde dat het college appellant kon verplichten een compensatieplan te overleggen voor bosbouwkundig vergelijkbare herbeplanting. In hoger beroep betoogt appellant dat hiervoor geen wettelijke basis bestaat.
De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat noch de Wet natuurbescherming (Wnb) noch de Omgevingsverordening Gelderland de bevoegdheid aan het college geven om het indienen van een compensatieplan te verlangen. De herbeplantingsplicht uit artikel 4.3 Wnb blijft echter onverminderd van kracht. Het beroep tegen het besluit tot het opleggen van de last onder dwangsom wordt gegrond verklaard en vernietigd.
Daarnaast is het beroep tegen het invorderingsbesluit van de dwangsom gegrond wegens het ontbreken van een grondslag. Het beroep tegen het besluit tot afwijzing van ontheffing van de herbeplantingsplicht wordt ongegrond verklaard. De Afdeling bevestigt dat populieren en acacia’s niet zijn uitgezonderd van de meld- en herbeplantingsplicht en dat appellant niet heeft onderbouwd waarom ontheffing zou moeten worden verleend.
De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover deze het college bevoegd achtte een compensatieplan te eisen. Het college wordt veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het griffierecht aan appellant. De herbeplantingsplicht blijft gelden en moet binnen drie jaar worden nagekomen.
Uitkomst: De last tot het indienen van een compensatieplan wordt vernietigd, de herbeplantingsplicht blijft van kracht, en het beroep tegen het invorderingsbesluit wordt gegrond verklaard.